De Tanks

De Derde Slag Bij Ieper

1.Voorbereidingen :
De pogingen om de tanks veilig en ongemerkt van de Lovie of van het oosthoekbos naar de frontlinie te brengen liepen niet van een leien dakje. Luchtverkenningen van de grondsituatie brachten weinig hoop op succes wegens de moerassige grond en de vele granaatkraters. Ook bleef men geconfronteerd met de moeilijke overgang van de vaart. Daarom werden ongeveer halverwege tussen Ieper en Boezinge een soort dam van zandzakken aangelegd tussen beide oevers om de passage van de zware gedrochten mogelijk te maken (de “passage Marengo”). Toen de tankaanval op 31 juli 1917 zou worden ingezet werd de meest noordelijke sector, deze van Langemark – St.-Juliaan, toegewezen aan de tanks van het G-bataljon. Rechts van hen (van Pond Farm tot Frezenberg) was voor het F-bataljon. Zuid van de Frezenberg werd het terrein toegewezen aan het C-bataljon, met als volgende buur het Bbataljon tot aan Glencorse Wood (Nonnenbossen. Als het zuidelijkste, tot over de beruchte weg Ieper – Menen, lag het terrein waar het A-bataljon zou in actie treden. Het D-bataljon werd even met rust gelaten, wellicht om het de gelegenheid te geven te recupereren van de gevechten die het op 7 juni had geleverd tijdens de Slag bij Mesen. Degenen in Haigs hoofdkwartier te Montreuil die van heel dat tankgedoe niet veel moesten hebben en het liefst de boel helemaal zagen mislukken, hadden erop aangedrongen dat de tanks alleen aan generaal Gough werden toevertrouwd omdat die geen te hoge faam had en bovendien via het slechtse terrein (modder) moest opereren.

Maar de hoogste in bevel over de tanks, kolonel (later generaal Elles, was dat gesmoes en gekuip grondig beu en wenste een volwaardige en een op het hoogste vlak gesteunde waardering voor dit nieuwe wapen. Hij eiste zelfs dat de tanks een eigen onafhankelijke eenheid in het militaire systeem verkregen en… tegen alle verwachtingen in kreeg hij zijn zin. En dat op 28 juli, drie dagen voor de Derde Slag bij Ieper begon. Het tankwapen werd van die datum af een eigen corps: het “Tank Corps”, met eigen vlag en eigen bevelvoering. Elles werd dus proefkonijn. Bij mislukking zouden de tegenstanders hem als zondebok kunnen offeren en zelf hun handen wassen in onschuld. Elles aanvaardde de uitdaging. Hij werd daarin volmondig gesteund door Baker-Carr, die de eerste operaties van de Derde Slag bij Ieper zijn eigen “Baker-Carr Battle” noemde.

2.Het begin: 31 juli 1917: Pilkem-Sint-juliaan
Training van de tanktroepen werd meestal in Frankrijk gehouden, niet ver van de havens waar de machines ontscheept werden, o.a. bij Eclimeux en Wailly in het Somme-departement. In de eerste helft van juli 1917 werd de ene compagnie na de andere van daaruit op platte treinwagons naar Vlaanderen gestuurd. De bemanningen en de stafchefs werden in het Loviekasteel ondergebracht, terwijl de toestellen werden weggestopt onder de bomen van het 5 km verder gelegen Oosthoekbos (deel van de Galgenbossen) bij Elverdinge. Dit uit het voorzorg tegen mogelijke bombardementen. Deze afstand mochten de bemanningen elke dag te voet afmarcheren om hun machines te gaan testen en klaar te houden voor elke onverwachte kans tot in actie treden, of ook nog om “unditching beams” te maken en met kettingen bovenop de tank te bevestigen.

Op 31 juli om 4u45, het was nog donker, brak de eerste aanval van de Derde Slag bij Ieper los. Het was een onmogelijk weer: het begon te regenen in de namiddag terwijl het al een week mooi weer was geweest. Die aanval moest een drietal dagen eerder hebben plaatsgegrepen maar generaal Gough van het V de Leger had aan opperbevelhebber Haig gevraagd de aanval uit te stellen omdat hij “nog niet helemaal klaar was”. Dit ultieme uitstel zou hen duur te staan komen! De regen die op de eerste dag van het offensief begon te vallen, hield een hele week met volle kracht aan en schiep de delicate grondconstructie om to teen onoverzichtelijke modderpoel. Dit werd nog verergerd doordat de zware artillerie het hele terrein gedurende twee weken onafgebroken had omgeploegd tot een echt maanlandschap en de natuurlijke afwatering door beken en sloten had kapotgeslagen. Een kwart miljoen granaten werden afgevuurd door 3100 kanonnen (elke vijf meter stond er één).
De 136 tanks bereikten, op twee na, op tijd (half vier in de morgen) hun startlijn.
De tanks (per twaalf voor een divisie) volgden de linten die Baker-Carr en andere enthousiastelingen de avond tevoren hadden gespannen. Ongelukkigerwijze hadden ze niet genoeg rekening gehouden met de kolossale zwaarte van de tanks op de zompige bodem. Onervaren, bleven sommige tanks achter de infanterie in plaats van omgekeerd. Het gevolg was een fiasco voor de tanks en een respectabele terreinwinst voor de infanterie. Bijna geen enkele tank keerde naar zijn basis terug. De meeste waren verzonken in het slijk van velden en weiden, want niemand op de hoofdkwartieren gaf zich rekenschap dat tanks het best o de gekasseide wegen bleven en niet door de natte Vlaamse landerijen moesten trekken. Buiten de tanks die door granaatvuur waren getroffen, waren de meeste doodeenvoudig verzakt in bomtrechters, loopgrachten of beken, en hadden ze zicht niet met hun “unditching beam” kunnen loswerken. In de sector van ’t Hoge bijvoorbeeld kwam slechts één van de negentien tanks die in gevechtsactie traden, ongedeerd naar zijn startplaats terug! Al de rest was stukgeschoten of verzonken. Daar ontstond een eerste “tankkerkhof”.
In Maxse’s XVIIIde Corps verliep het enigszins beter. Ten zuiden van St.-Juliaan konden ze het terrein tussen Spree Farm (Fortuinhoek) en Frezenberg veroveren, maar ten noorden zakten ze in de moerassen van de Steenbeek; de enkelen die zicht eruit konden bevrijden, hadden daarvoor zoveel tijd nodig, dat ze te laat kwamen om de infanterie te helpen in hun opmars. Toch werd de helft van St.-Juliaan bemachtigd en dat was al een groot succes. Er werd trouwens een winst van een goede kilometer geboekt over een afstand van twee kilometer frontbreedte.
Dat was vooral te danken aan de tanks van het G-bataljon: G47 GITANE onder bevel van luitenant Alden veroverde eerst de sterke vesting Alberta ten noorden van St.-Juliaan en drong dan samen G48 GULLAH onder IT. Brassington door tot in St.-Juliaan en veroverde het hele dorp. Twee kwamen zelfs nog verder oostelijk dan St.-Juliaan: G10 GRAVEDIGGER onder It. jordan en G11 GLAMORGAN onder It. Lynch. Deze laatste werd dan nog getroffen door een rake granaatinslag en de hele bemanning kwam om. G10 kon ongedeerd terugkeren naar zijn basis. Ook op die dag bleef de G46 Gina van It. Browne(met comagnie-commandant Kapitein Kessel aan boord) in de modder steken met omhoog stekende kapotgeschoten rupsband…

Rechts van de D-formatie, traden de tanks van de F-formatie op. Dat waren in de Fortuinhoek:

- de F41 FRAY BENTOS onder Lt. Hill, waarin ook de sectieleider kapitein Richardson zat. - Verzonk noord van Gallipoli Farm (Zie Farms)

- De F49 FAIRY en de F42 FAUN - Kregen op ongeveer dezelfde plek bij Gallipoli Farm een voltreffer te incasseren. Van de laatste werd de hele bemanning gedood of gewond.

- De F43 FRITZ PHLATTNER en F47 FARALONE - Kwamen tot kort bij Somme Farm, maar raakten dan versteld in een granaattrechter.

- De F45 FIDUCIA - Bereikte zelfs Schuler Farm, maar verzonk er ook.

- De F46 FAY en de F48 FIARA - Kwamen nog verder, maar de eerste verloor al zijn geschut bij het terugkeren, terwijl de laatste wel twee keer heel ver heen en terug reed, en toch (als enige!) de startplaats weer bereikte!

Robert Baccarne, Johan Van Beselaere
Poelkapelle 1917” een spoor van tankwrakken”

In Sint-Juliaan werden in 2012 tankstukken ontdekt, voor meer info klik op de link:
http://www.depondfarm.be/nl/tanks